Gamrupa

La Gambie en bref.

Wat Gambia voor mij betekent weten heel veel mensen al dus daar hoef ik niet over uit te wijden vooraf. Wel zal ik proberen enig inzicht te geven in wat ik doe en hoe ik dingen doe.

Het is begonnen met een “gewone” vakantie naar dat West-Arfrikaanse landje dat als een enclave in het grote Senegal ligt. Het is heel lang een protectoraat van het Gemene Best van Engeland geweest en pas in 1965 zelfstandig als staat geworden. Het heeft ongeveer 1 miljoen inwoners en is daardoor voor Afrikaanse begrippen erg dicht bevolkt.

De vorm en afmeting van het landje is gemaakt door op de rivier de Gambia te varen met een oorlogsschip en naar beide zijden een kanonskogel af te vuren, nadat er een bestand gesloten was tussen Frankrijk en Engeland over het slavenhandel gebied waar beide grootmachten driftig aan mee deden. Evenals de Nederlanders overigens, die in Juffre, een dorp aan de noordoever van de Gambia, de slaven ophaalden en ze naar Amerika verscheepten. Op de plaats waar de kogel neerkwam werd de grens gelegd. Het land is maar 1/5 de deel aan grootte van de Benelux dus echt akelig klein. Het is het land van herkomst van de beroemde Kunta Kinteh.

Omdat het als een enclave in Senegal ligt word er vaak gesproken over het Senegambia gebied. De bevolking bestaat uit een heel aantal verschillende Afrikaanse volkeren maar de meest voorkomende zijn: Mandinka (mijn volk dus) Wollof en Fula. De officiële voertaal is Engels maar alle volkeren spreken hun eigen taal nog. Een mengelmoesje van talen die totaal verschillend zijn maar eigenlijk geen geschreven schrift kennen. Om het te leren moet je goed zijn in fonetisch schrift want anders kan je nooit de goede uitspraak leren kennen. Leuk maar wel heel moeilijk, dus.

Er heerst geen discriminatie onder deze volkeren, tenminste als je niet al te ver onder de oppervlakte kijkt. Op het eerste gezicht is het een zeer vreedzaam land. En het heet dan ook niet voor niets het land van de lachende mensen. Of wel “The smiling coast”. Door mij meer te verdiepen in de werkelijke mens die er leeft heb ik opgemerkt dat er wel degelijk rivaliteit bestaat tussen de verschillende volkeren. Zo hebben de Wollof mensen heel vaak de touwtjes in handen in de handel terwijl de Fula van oudsher nog de boeren en herders zijn die zich voor een bepaalde tijd op een stukje grond vestigen waar zij het land bebouwen en begrazen, om daarna, als de grond rust nodig heeft weer een eindje verderop te trekken.

Mandinka mensen zijn vaak erg intelligent en struinen er dus tussendoor. De Mandinka's zijn een oeroud volk dat in vroeger tijden over heel Afrika verspreid gewoond heeft. Ze verbouwen hun kostje op kleine stukjes land maar zitten ook goed vertegenwoordigd in de regering, de handel en ambachten. Vaak reizen ze af naar vergelegen oorden om te studeren en ze zijn altijd blij als ze iets nieuws leren dat hen kan helpen te overleven. Aan leven komen ze nog niet toe, dat is nog ver van hun bed en belevingswereld. Het is puur een kwestie van, hoe kom ik in voor de komende dagen aan eten voor mij en mijn gezin. Overleven dus in de meest kwalijke zin van het woord.

Nous ne développons personne!
Les gens se développent eux-mêmes!
Nous soutenons le développement!