Gamrupa

Medische posten.

 

Tijdens mijn vele bezoeken aan Gambia werd ik steeds vaker geconfronteerd met de meest bizarre vormen van geneeskunde aldaar. Toen Kalifa trouwde met Arabiatou en de bevalling van hun eerste baby kwam, moesten ze 's nachts hals over de kop naar Gunjur om daar, in een vies hok dat kliniek heet, te bevallen. De bevalling ging god zij dank goed en Ara liep geen kraamvrouwkoorts op, maar dat kan alleen maar een wonder heten. Mo Lamin was een ziekelijke baby. Om de haverklap had hij, wat genoemd werd, Malaria. Hij had vaak koorts en gaf dan over. Hij groeide matigjes maar was wel een zonnetje van een manneke. Ik besefte in die tijd dat als hij weer ziek zou worden zijn ouders niet bij machte zouden zijn om een goede dokter te bezoeken, puur om het feit dat er in Sifoe geen dokter is en dat het geld ontbrak om iedere keer naar Brikama te gaan naar de man die dokter genoemd wordt maar die net zoveel van de medische wetenschap afweet als u of ik. Op een dag was ik samen met Araniatou bij hem omdat Mo Lamin weer koorts had.

Het arme jonkie hoestte zich de longen uit het lijf en greep de hele tijd naar zijn oortjes. Oorontsteking, dacht ik, dat zal wel doorgeprikt moeten worden. We moesten een hele poos wachten in een wachtkamer vol met zieke mensen, Mo Lamin dreinde en viel uiteindelijk bij Ara op de rug in slaap. Toen we eindelijk aan de beurt waren vertelde Ara wat er met Mo Lamin aan de hand was, maar de “dokter” had veel meer aandacht voor mij dan voor het kleintje. Hij informeerde nog wel of Mo ook koorts had. Ja, zei Ara, hoge koorts 's nachts maar overdag ging het wel. Malaria constateerde de “dokter” en schreef voor dat Mo een grote dosis antibioticum geïnjecteerd moest krijgen, penicilline drankje en de volgende twee dagen nog twee keer een shot. Ik rilde toen ik het hoorde. Zo'n klein jochie en dan die dosis antibiotica. Hij kreeg gewoon een overdosis. En, dacht ik, Malaria kan gewoon geconstateerd worden met een simpele bloedproef, dus waarom niet even een bloedtest afnemen? Ik vroeg het de dokter. Hoeft niet, zei hij, dit kind is het gewoon aan te zien dat het Malaria heeft. Ik was nog niet wijzer en kon er niks tegen beginnen. Dus betaalde ik de dokter, de secretaris en de medicijnen en daarna gingen we weer terug naar Sifoe. Vaak heb ik me afgevraagd waarom ik die bloedproef niet zelf heb laten doen.

Was ik bang voor de uitslag soms? Wilde ik niet weten wat Mo Lamin werkelijk scheelde? Mo werd zieker en zieker. Iedere keer als we kwamen zag ik dat hij slecht groeide, dat zijn ogen steeds meer bloeddoorlopen waren, dat zijn huid asgrauw was. Ik vroeg aan Kalifa waarom er geen dokter in Sifoe was. Het is immers een dorp met ongeveer 5600 inwoners, daar moet toch medische basishulp zijn? Kalifa legde me uit dat er een schreeuwend tekort is aan doktoren en dat iemand die wel bekwaam is, zich niet zal begraven in een dorp als Sifoe want hij kan veel meer verdienen in de grotere plaatsen.

Hij richt dan een eigen kliniekje op, vaak met hulp van buitenlanders en heeft een eigen praktijk waar hij goed aan verdient. Langzaam drong het tot mij door dat je helemaal geen arts hoefde te zijn om een praktijk te hebben. Er zijn veel Nigerianen die naar Gambia komen en een keurig diploma kunnen tonen waarop staat dat zij arts zijn, maar die in feite hooguit een EHBO-diploma hebben en dan heb je nog geluk ook.

Mo Lamin werd zo ziek dat kalifa in arren moede naar de inlandse Marabou is gegaan met hem. En een paar weken later naar een goed bekend staande andere Marabou in de kasamas, vlakbij het dorp waar zijn moeder vandaan komt in Senegal. Ook dat mocht niet baten. Uiteindelijk werd de doodzieke kleine man opgenomen in het Gunjur hospital. De “kippenschuur” waar hij ook geboren was. Maar ze konden hem niet helpen daar dus werd hij met de bushtaxi naar Brikama vervoerd. Ook daar mocht, de opnieuw toegediende, shot antibioticum, niet baten en dus werd hij nog zieker dan hij al was. Dan maar naar de pharmacie in Serrakunda. Daar is een buitenlandse apotheker die heel veel goeds doet en helpt waar hij helpen kan, maar hulp kwam voor dit ventje te laat. In wanhoop is hij door Kalifa, Arabiatou en Arokee naar Banjul gebracht. Naar het Victoria hospital. Daar is hij gestorven. Niemand kan vertellen wat de ziekte uiteindelijk geweest is. Zoals ook niemand kan vertellen of er genezing mogelijk geweest was. De dood van Mo Lamin was een grote schok voor mij, maar het heeft mij ook heel veel geleerd. Ik had me namelijk nooit gerealiseerd dat er geen enkel medische opvang in Sifoe was. Dat mensen altijd op zijn minst naar Darisalam, Gunjur of Brikama moesten om de dichtst bijzijnde dokter te zien. Dat de dichtstbijzijnde apotheek in Brikama is. Ik wist wel dat de vervoersmogelijkheden abominabel slecht zijn. Dus dat “even” naar een dokter gaan betekend dat je een dag onderweg bent. In de brandende zon en bij hoge temperaturen. Het is natuurlijk een verdrietige vorm om op die manier te leren. Toch heeft het ook goede kanten. Door deze hele situatie ben ik met de mensen van Sifoe gaan praten over gezondheidszorg. Over hun ideeën om een medische voorziening te creëren. Over hoe we in de toekomst kunnen zorgen dat er tenminste enige medische kennis altijd aanwezig is binnen de dorpsgemeenschap.

In eerste instantie kwamen de dorpsoudsten met de vraag of ik niet kon zorgen voor een hospitaaltje. Dat heb ik direct van de hand gewezen. Het lijkt heel mooi om een eigen hospitaaltje te hebben maar waar halen we de artsen en het verplegend personeel vandaan? Wie zou er in Sifoe willen werken als arts? Hoe zouden artsen en verpleegsters betaald moeten worden? Ik weet dat sommige mensen uit Sifoe heel teleurgesteld waren toen ik het van de hand wees. Ik heb mijn uiterste best gedaan ze uit te leggen dat het op zich helemaal niet zo moeilijk is om een hospitaaltje te bouwen. Dit ik daar waarschijnlijk zelfs wel subsidie voor zou kunnen krijgen als ik er mijn best voor zou doen. Maar dat het een heiloze weg is om de doodeenvoudige reden dat ik te vaak daar in Gambia gezien heb dat er prachtige gebouwtjes werden neergezet, ingericht en vervolgens verlaten om voor heel andere dingen gebruikt te worden of om te vervallen tot stof. Het wegslikken van deze teleurstelling heeft enige tijd geduurd. De volgende keer dat ik er was hebben we verder gepraat over een medische voorziening. Ik had hier in Nederland met diverse mensen gesproken over het dilemma waarin ik terecht was gekomen ten aanzien van medische zorg in Sifoe. Mijn moeder, zei zonder er verder nog iets aan te verbinden, vroeger hadden wij in de veenkoloniën mensen die helemaal geen dokter konden betalen. Er werd toen een soort collecte bus bij de dokter neergezet waar iedere patiënt die niet verzekert was of kon betalen naar vermogen een bijdrage in deed om er zo voor te zorgen dat de huisarts toch een kleine vergoeding kreeg voor zijn diensten. Dat zinnetje heb ik ergens in mijn achterhoofd opgeslagen, samen met de kennis die ik nog had van de situatie in Klarendal in Arnhem, waar een man op zijn fiets iedere maand rondreed om de ziekenzorg penningen.

Wij ontwikkelen niemand!
Dat doen de mensen zelf!
Wij ondersteunen wel ontwikkeling!